Mediawijsheid noodzakelijk voor leerlingen
In feite maken veel jongeren al op vroege leeftijd gebruik van internet, dat vrijwel vanzelfsprekend de voornaamste informatiebron is voor de huidige generatie. Ze leren zelf ermee omgaan, gewoonweg door te experimenteren. Maar self-thaught is niet hetzelfde als well-thaught . Bovendien bulkt internet van de informatie uit allerhande bronnen, van volslagen ongeloofwaardig tot wetenschappelijk verantwoord. Bedrijven, particulieren, politieke partijen en belangengroepen hebben allerhande redenen om hun publiek te informeren, overtuigen en entertainen.
Misschien is leren met internet juist daarom geen overbodige luxe. In ons essay voor Kennisnet pleiten wij daarom voor aanvullend scala aan elementaire vaardigheden voor leerlingen zoals informatie-, media- en ICT-vaardigheden. Zodoende zijn ze voorbereid op de toekomst en beschikken over goede competenties om in een digitale wereld succesvol én mediawijs te zijn.
Klik op full om de pdf in volledig scherm te zien
Internet als fantastische leeromgeving

Leven in een informatiesamenleving is leuk! Internet biedt een fantastische leeromgeving voor leerlingen en ze googlen erop los. Multimedia spreken tot de verbeelding. Kinderen maken in hun sociale leven ook veelvuldig gebruik van allerlei communicatiemogelijkheden die internet biedt. Ook docenten vragen vaker digitaal leermateriaal om het leerproces zo interessant mogelijk te maken. Zodoende kunnen ze leerlingen goede lesstof aanreiken waarmee een didactisch verantwoord programma tot stand komt.
Tegelijkertijd ontstaat een vraag naar nieuwe vaardigheden voor de 21ste eeuw waarmee leerlingen mediawijsheid krijgen aangeleerd. Dat heeft gevolgen voor het leerproces, want welk materiaal is hiervoor geschikt? Is er eigenlijk wel genoeg digitaal materiaal beschikbaar? Helaas blijkt kennisoverdracht hierbij slechts in beperkte mate van nut. Het lijkt een complex vraagstuk te zijn, maar wellicht is de oplossing eenvoudiger dan gedacht.
We kunnen dit vraagstuk ook anders benaderen. Waarom wordt internet als leeromgeving niet vaker als uitgangspunt genomen binnen het leerproces? Oké, internet is een multimediaal platform met een overvloed aan informatie. Maar weerspiegelt dat niet de werkelijkheid van alledag? Juist het vermogen om door dit complexe informatielandschap te kunnen navigeren is van toenemend belang. De leeropbrengsten hiervan zijn zelfstandigere en creatievere leerlingen die optimaal gebruik maken van de grootste informatie database aller tijden: internet.
In ons essay voor Kennisnet pleiten wij voor een andere aanpak van het leerproces waarbij meer gebruik wordt gemaakt van internet als multimediale leeromgeving. De clou ligt bij de benadering van het leerproces. Dit vergt wel een andere manier van lesgeven door docenten én het leren door de kids zelf. Een benadering die meer aansluit op de dagelijkse ervaringen en belevingswereld van leerlingen. Waarin kennisconstructie centraal staat en internet als platform wordt gebruikt voor het zoeken, bewerken en delen van informatie.
Dat kinderen díe veel met de computer werken en voortdurend met nieuwe gadgets zitten te spelen de juiste vaardigheden hebben, is een misvatting. Jongeren beschikken wel over ict-vaardigheden, maar niet over voldoende informatievaardigheden om te slagen in de 21ste eeuwse samenleving. Leerlingen hebben dus een aanvullend scala aan elementaire vaardigheden nodig zoals informatie-, media- en ICT-vaardigheden. Zodoende zijn ze voorbereid op de toekomst en beschikken over goede competenties om in een digitale wereld succesvol én mediawijs te zijn.
Evaluatie virtuele leeromgeving
Delft OpenCourseWare is een wereldwijd toegankelijke digitale omgeving waarin onderwijsmaterialen worden gepubliceerd. Hiermee krijgen studenten, vakgenoten en geïnteresseerden vrije toegang tot deze bron van kennis. Aan PROVENPARTNERS is gevraagd de evaluatie van het bedrijfsleven uit te voeren.
Klik op de diaprojector om de case study full-screen te lezen.
Langs de lijn bij Wikiwijs
Wikiwijs blijft mij boeien zoals ik ook onlangs schreef in mijn blog “Hoe krijgen we leerkrachten aan de Wikiwijs?”. In de vakantie periode werd ik aangenaam verrast door de publicatie van het programmaplan Wikiwijs. Verrast omdat ik niet gewend ben dat dit soort programma plannen openbaar worden gemaakt. Vol interesse ben ik het plan gaan lezen en zag dat er een flink programma team is opgetuigd door Kennisnet / Open Universiteit als teken dat dit toch wel heel serieus project is waar resources achter gezet zijn.
Mijn eerste reactie op Programmaplan was, nee het is vakantie ik ga er niet weer een blog aanwijden, maar na het lezen van de blog van Wilfred Rubens “Mijn aarzeling bij het Wikiwijs-plan” wil ik toch wel een reactie geven. Hij schreef dat er twee manieren zijn om ervoor te zorgen dat onderwijsontwikkelaars ontwikkeld digitaal leermateriaal met elkaar delen. De “bottom-up” aanpak, vanuit intrinsieke motivatie ontwikkelaar en een de “top-down” aanpak vanuit sturing instituten. Wilfred geeft aan dat Wikiwijs noch het ene, nog het andere manier hanteert. Nu kan ik daar zelf nog niet echt een oordeel over geven omdat ik dit niet vanuit een programma plan kan afleiden, zonder de strategie van Kennisnet / Open Universiteit te weten. Ik weet wel vanuit mijn eigen ervaring dat je niet moet schipperen tussen sturing (top-down) of ruimte (bottom-up), en dat dit geen kwestie is van of-of maar een kwestie van en-en. Ik geloof in beide werelden, want intrinsieke motivatie is prima maar zonder een vorm van sturing ontstaat er chaos en wordt de wildgroei groter. Ik heb niets tegen wildgroei maar dan moet dit een bewuste strategische keuze zijn en als ik het goed begrijp zou Wikiwijs juist alle ontwikkelingen willen omarmen en hier structuur in willen brengen.
Aansluitend op mijn vorige blog over Wikiwijs gaat mijn interesse ook naar “het laten landen” van Wikiwijs. In het programmaplan staat dat één van de risico’s voor het slagen is dat docenten de meerwaarde niet zien en dus niet gebruiken. Er wordt aangegeven dat de kans 4 is (gemiddeld) maar de impact vrij hoog (9). De maatregelen die er getroffen worden zijn: Grote nadruk op goede communicatie en uitleg, open inbreng docenten 24×7, goede ondersteuning, zowel fysiek als online, brede ondersteuning op alle aspecten rondom digitaal leermateriaal. In mijn ogen zijn deze maatregelen niet toereikend en gaat de leerkracht hierdoor echt nog niet aan de Wikiwijs maar moet er veel meer worden aangesloten op de belevingswereld van de docent en zijn leerdoelen. Er moeten voorwaarden worden geschapen, blokkades worden weggenomen zoals tijdgebrek leerkrachten. Het gaat er niet om of de leerkracht weet wat Wikiwijs is en hoe hij dit moet gebruiken. Nee, om het echt een succes te maken moet je in het hart van de docent zien te komen, zoals ik eerder aangaf “What makes them tick”. Ik lees door het programma plan heen dat er een communicatieplan wordt opgezet met daarin gebruik makend van verschillende kanalen. Persoonlijk vind ik dit vanuit een traditionele corporate communicatie gedachte. Sorry, maar dit moet geen communicatieplan zijn maar een activatieplan en dus meer vanuit brand communicatie. We willen toch leerkrachten activeren, in beweging krijgen, toch? Het activeren van doelgroepen is een vak apart, daarvoor moet je snappen wat mensen beweegt en weten op creatieve manieren hen te bereiken (en dat is niet via posters, campagnes, banners…..) en in sommige gevallen werken spiegeltjes en kraaltjes nog steeds maar vaak niet. Dit betekent dus niet alleen maar bijeenkomsten organiseren en dan maar hopen dat er mensen komen. Nee het gaat juist om de mensen die niet op die bijeenkomsten komen. Waarom komen ze niet?
In het programma team zie ik de rol die dit zou moeten oppikken niet terug, de rol van bruggenbouwer, de boodschapper van sturing (top-down) EN de stem van de werkvloer (bottom-up). Geen idee waar ik het over heb? Neem gerust contact op!
Deze blog werd oorspronkelijk gepubliceerd op Back2School, de onderwijsblog van Marcel Kesselring.
